News:

Gestolen waar gedijt niet, zoek faire oplossingen voor roofkunst - Stolen goods do not fare well, seek fair solutions for looted art

1970
1945
NRC 16 March 2018

Koloniale roofkunst krijgt nog altijd minder aandacht dan naziroofkunst, stelt Evelien Campfens vast. Er is ook veel onduidelijk. Is de diamant van de sultan, het volk of de regering? „Het is de hoogste tijd die lastige vragen te beantwoorden.”

Commotie in de museumwereld en de uitspraken van de Franse president Macron zijn de reden. Hij zei onlangs Afrikaanse roofkunst „tijdelijk of permanent” te willen teruggeven. (‘Macron doorbreekt taboe’, NRC 8/3). Macron vindt het terecht onacceptabel dat Afrikanen naar Europa moeten reizen om een indruk te krijgen van het eigen erfgoed. Denk aan de ‘Benin Bronzes’, sculpturen uit het in 1897 geplunderde en vervolgens platgebrande koninklijke paleis van de Oba van Benin (in het huidige Nigeria), waarvan de originelen zich bijna uitsluitend in westerse collecties bevinden.


Evelien Campfens
is onderzoeker aan het Grotius Centre for International Legal Studies en was van 2002-2016 secretaris van de Restitutiecommissie.

Opvallend genoeg krijgt Macron veel bijval uit de museumhoek. Die bijval lijkt een breuk te zijn met de behoudende lijn in de Verklaring van het Universele Museum uit 2002, waarin beargumenteerd werd dat cultuurschatten uit de hele wereld het beste tot hun recht komen en het beste bewaard worden in een ‘universeel’ (westers) museum. Dat de miljoenen voorwerpen die tijdens het imperialisme als exotisch object of kunstvoorwerp naar Europa werden gehaald in hun originele setting een andere betekenis hadden, wordt daarbij over het hoofd gezien.

Warriors and Attendants’, 16-17e eeuw, Hof van Benin, Nigeria. Te zien in Metropolitan Museum of Art, New York.

Ondertussen werd de deur wél opengezet voor claims op door nazi’s geroofde kunst – waarna deze na teruggave vaak juist uit de openbaarheid verdwijnt. Gustav Klimts Portret van Adele Bloch-Bauer II verdween zo na doorverkoop voor 150 miljoen dollar in een Chinese privécollectie.

Ook verzoeken om repatriëring van menselijke resten in westerse musea werden gehonoreerd. Zo zijn vele Toi Moko’s (geprepareerde getatoeëerde hoofdhuiden) onder druk van de Nieuw Zeelandse regering uit westerse etnologische musea gerepatrieerd. Een nieuwe visie op cultuurgoederen wint dus terrein, en de immateriële betekenis van objecten voor specifieke (groepen) mensen staat daarin centraal. De omslag in denken, verwoord door Macron, sluit aan bij die bredere ontwikkeling.

In een opiniestuk in de Frankfurter Allgemeine Zeitung  waarschuwt de voorzitter van de Stiftung Preussischer Kulturbesitz, Hermann Parzinger, voor simplificatie van een complexe materie. Maar hij steunt Macrons idee van samenwerkingsverbanden tussen westerse en Afrikaanse instellingen, in zijn ogen een „redelijke en billijke” oplossing. Hij stelt een internationale conferentie voor om beginselen te formuleren voor de omgang met roofkunst, zoals dat in 1998 ook voor naziroofkunst werd gedaan. Die vergelijking ligt voor de hand. Ook voor roofkunst is de vraag aan de orde die schrijver en Nobelprijswinnaar Elie Wiesel twintig jaar geleden stelde in zijn openingsspeech van de conferentie over naziroofkunst: Waarom nu pas gehoor geven aan de ‘Bijbelse’ opdracht gestolen bezit terug te geven?

Het argument dat het bij koloniale roofkunst om gebeurtenissen uit een verder, te ver, verleden zou gaan, gaat beperkt op. Militaire koloniale acties en plundering van cultureel erfgoed beleefden een hoogtepunt, althans in Afrika, rond de Berlijnse ‘Scramble for Africa’ Conferentie in 1884-1885. Soms duurde kolonisatie tot na de Tweede Wereldoorlog.

Zowel nazi- als koloniale kunstroof vallen buiten de werking van hedendaagse verdragen over kunstroof en restitutie. Maar dat wil niet zeggen dat het juridisch in orde is. Sinds de opkomst van het internationale recht hebben cultuurgoederen een beschermde status. Op internationaal niveau gelden dan ook bepaalde principes. Voor naziroofkunst zijn dat de ‘Washington Principles’. Deze zeggen in feite niet veel meer dan dat musea proactief onderzoek moeten doen naar mogelijke naziroofkunst in hun collecties, en dat ze naar ‘redelijke en billijke’ oplossingen moeten zoeken in het geval van claims.

Op het gebied van koloniale roofkunst zijn sinds de jaren zestig meer dan twintig VN- en Unesco-verklaringen aangenomen die het belang van teruggave onderstrepen. Daarnaast geeft de internationale Ethische Code voor Musea aanwijzingen, evenals de in 2007 aangenomen VN Verklaring over de Rechten van Inheemse Volkeren.

Koloniale roofkunst krijgt minder aandacht. De teruggave van een Benin-sculptuur aan de erfgenamen van de Joodse eigenaar die zijn collectie in 1934 onder dwang van het naziregime verkocht, en de daaropvolgende veiling van het beeld zonder dat de Afrikaanse herkomstgeschiedenis werd vermeld, illustreert én het verschil in prioriteit én de complexiteit van roofkunst.

Lees ook: Eens gestolen, altijd gestolen; hoe gaan de diverse Europese landen om met de claims op ‘besmette kunst’?

In de discussie zijn een aantal cruciale zaken nog onduidelijk. Wat verstaat men bijvoorbeeld precies onder het begrip ‘koloniale roofkunst’? Is de aard van het verlies destijds doorslaggevend of de betekenis van een voorwerp nu voor bepaalde (groepen) mensen? En wie worden als ‘rechthebbenden’ aangemerkt? Neem de diamant van Banjarmasin, waar het Rijksmuseum onderzoek naar deed. Deze werd in 1859 door het Nederlandse leger in beslag genomen van de sultan van Banjarmasin, een sultanaat dat nu onderdeel van de Indonesische staat is. Hebben de erfgenamen van de sultan (zoals bij naziroofkunst) recht van spreken, het volk van Banjarmasin (naar het voorbeeld van de VN-regeling voor inheemse volkeren), of de Indonesische regering (volgens het interstatelijke model van Unesco)? En ten slotte, welke instantie gaat toezien op de transparante en neutrale implementatie van criteria? Een internationale geschillencommissie ligt voor de hand.

Het zijn lastige vragen, maar ze vormen geen reden de discussie uit de weg te gaan. Daarbij kunnen we lering trekken uit de ervaringen met naziroofkunst. Eén zo’n les is dat gestolen waar niet gedijt – we moeten ‘faire’ oplossingen bedenken voor wat we niet zo fair hebben gekregen. Een andere les is dat we heldere criteria en neutrale procedures nodig hebben voor rechtvaardigheid.


English translation:

Cases of colonial looting are underexposed compared to Nazi-looted art, states Evelien Campfens. Also, many issues remain unclear. Does the diamond of Banjarmasin belong to its original owner, the people or the government? “It is high time that these difficult questions are answered.”

By Evelien Campfens, researcher at the Grotius Centre for International Legal Studies and director of the Dutch Restitutions Committee from 2002 to 2016.
__

The museum community is in turmoil after French President Emanuel Macron said recently that he wanted to see the conditions created for the “temporary or permanent” restitution of African looted art. Macron rightly considers it unacceptable that Africans should have to travel to Europe in order to get an impression of their own cultural heritage. Take for example the ‘Benin Bronzes’, sculptures looted by the British army from the royal palace of the Oba of Benin (in what is now Nigeria) which was burnt to the ground in 1897. The originals are almost all in Western collections.

Remarkably Macron’s view seems supported by the museum community. This would be a departure from the line taken in the Declaration on the Value and Importance of Universal Museums of 2002, in which it is argued that cultural treasures from around the world – no matter if their provenance was colonial takings - are shown to the best advantage and can best be kept in ‘universal’ (Western) museums. That line, however, overlooks the fact that the millions of objects taken to Europe during the imperialist period as exotic objects had a different significance in their original setting.

On the other hand, since the declaration was published, the door has been opened to restitution claims of art looted by the Nazis – art which often disappears from public view following restitution. For example, Gustav Klimt’s Portrait of Adele Bloch-Bauer II was auctioned after restitution and purchased by a private collector. 
 
Requests for the repatriation of human remains held in Western museums have also been honoured. For example, many 'Toi mokos' (preserved tattooed human scalps) have been repatriated from Western ethnological museums under pressure from the New Zealand government.

In other words, a new vision on cultural goods is gaining traction whereby the immaterial significance of objects to specific people and groups of people is key. This shift in thinking, as voiced by Macron, is consistent with this broader development.

In an opinion piece in the Frankfurter Allgemeine Zeitung, Hermann Parzinger, chairman of the Prussian Cultural Heritage Foundation, warns against oversimplifying complex material. However, he does support Macron’s idea of partnerships between Western and African institutions, which he views as a ‘fair and just’ solution. He advocates holding an international conference in order to formulate principles for dealing with colonial looted art, similar to the conference on Nazi-looted art held in 1998. The comparison is an obvious one. The same question that author and Nobel Prize winner Elie Wiesel posed in his opening speech at the conference on Nazi-looted art in also applies to colonial looted art: Why only now respond to the ‘Biblical’ task of restituting stolen property?

The argument that colonial looted art is linked to events that happened even longer – too long – ago is only valid up to a point. Military colonial actions and plundering of cultural heritage were at their height, at least in Africa, around the time of the Berlin Conference of 1884-1885 on the ‘Scramble for Africa’. Not seldom colonisation lasted until after the Second World War.

Both Nazi and colonial art looting are beyond the scope of modern-day treaties on the theft and restitution of art but this is not to say that they are acceptable from a legal perspective. Ever since the establishment of international law, cultural goods have been afforded protected status, meaning that they are governed by certain principles at an international level. In the case of Nazi-looted art these are the ‘Washington Principles’. In essence, they do not say much more than that museums must undertake proactive research into potential Nazi-looted art in their collections, and that they should seek ‘fair and just’ solutions in the event of claims.

Since the 1960s, more than twenty United Nations (UN) and United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization (UNESCO) declarations have been adopted in relation to colonial looted art which stress the importance of restitution. The ICOM Code of Ethics for Museums also provides guidelines, as does the United Nations Declaration on the Rights of Indigenous Peoples (UNDRIP) adopted in 2007.

Colonial looted art is not given as much exposure. The recent restitution of a Benin sculpture to the heirs of the Jewish owner forced to sell his collection in 1934 by the Nazi regime and the subsequent auction of the sculpture without a mention of its African provenance illustrates both the difference in priority and the complexity of looted art.

Some crucial matters remain unclear in this debate. For example, what exactly is meant by the term ‘colonial looted art’? What is decisive: the nature of the loss at the time or the significance of an object to certain (groups of) people? And who should be seen as the ‘entitled parties’? Consider the diamond of Banjarmasin, researched by the Rijksmuseum, a Dutch national museum. The diamond was seized in 1859 by the Dutch Army from the sultan of Banjarmasin, a sultanate which is now part of the Republic of Indonesia. Who should be considered the party entitled today to restitution: the heirs of the sultan (as is the case with Nazi-looted art), the people of Banjarmasin (following the example of the UN rules for indigenous peoples), or the Indonesian government (in accordance with the UNESCO interstate model)? And finally: what body should monitor the transparent and neutral implementation of criteria? An international advisory committee would seem an obvious choice.

While these questions are complicated, this is not a legitimate reason to avoid the discussion. Furthermore, we can draw lessons from the experiences with Nazi-looted art. One such lesson is that stolen goods do not fare well; we must come up with ‘fair’ solutions to what was obtained in unfair ways. Another lesson is that we require clear standards and neutral, transparent claims procedures for justice to be done.

NRC, weekend 17 & 18 March 2018, Opinion & Debate section, p. 07


https://www.nrc.nl/nieuws/2018/03/16/gestolen-waar-gedijt-niet-geef-roofkunst-terug-a1595980
© website copyright Central Registry 2019