News:

Waarborg maximaal onafhankelijk onderzoek bij claims op roofkunst - Guarantee maximum independent research for claims to looted art

1970
1945
NRC 11 December 2020

(Guide English translation below)

Een commissie boog zich over de teruggave van naziroofkunst. weegt het rapport en dringt aan op een nóg rechtvaardiger restitutiebeleid.


Wassily Kandinsky: ‘Blick auf Murnau mit Kirche’ (1910). Dit schilderij werd geclaimd door de erven Stern-Lippmann. De Restitutiecommissie wees het in 2018 toe aan de gemeente Eindhoven. Het hangt in het Van Abbemuseum.

Het rapport van de Adviescommissie restitutie cultuurgoederen Tweede Wereldoorlog heeft nogal wat losgemaakt in de Nederlandse pers. De door Jacob Kohnstamm voorgezeten commissie had als opdracht het huidige beleid omtrent geroofde kunst uit de Tweede Wereldoorlog te evalueren en te adviseren over mogelijke verbeteringen.

Dit alles staat uiteraard niet los van de kritiek die nationaal en internationaal is geuit op de Restitutiecommissie (RC) die de minister van OCW adviseert over individuele claims op objecten uit de rijkscollectie. Bij die kritiek was een kernvraag in hoeverre de RC het belang van het betreffende kunstwerk voor het museum waar het zich thans bevindt mag afzetten tegen de belangen van de claimanten.

Rudi Ekkart is kunsthistoricus en was voorzitter van de commissie-Ekkart, die onderzoek deed naar in de Tweede Wereldoorlog geroofde kunstwerken.

Een dergelijke afweging hanteerde de RC bijvoorbeeld in 2018 bij de behandeling van de claim van de erven Lewenstein op het schilderij ‘Bild mit Häusern’ (1909) van Wassily Kandinsky in het Stedelijk Museum in Amsterdam. De commissie was duidelijk: de belangen van de rechthebbende erfgenamen kunnen nooit worden aangetast door de belangen van een museum. Een zeer duidelijke en geheel terechte uitspraak van de commissie.

Kohnstamm en de zijnen deden echter veel meer, ze keken of het restitutiebeleid in het algemeen voldoet aan de eisen. De commissie concludeert dat de aanbevelingen van de toenmalige commissie-Ekkart uit 2001 en 2003 nog altijd het beste uitgangspunt vormen en de basis zijn voor de goede reputatie die het Nederlandse restitutiebeleid in de loop der jaren heeft verworven. Een conclusie die uiteraard voldoening geeft aan deze voorzitter van de toenmalige commissie.

Latere beleidsaanpassingen vertroebelden het beeld en stichtten verwarring, zoals de juist genoemde bepaling over de afweging van belangen. Om een en ander te stroomlijnen heeft de Commissie Kohnstamm de basisregels voor het beleid gevat in een nieuw beoordelingskader, bij wijze van aanknopingspunt voor een zorgvuldige en transparante afweging van claims.

Ruime aandacht

Het rapport besteedt ruime aandacht aan het feit dat in Nederland sinds 2007 geen onderzoek meer wordt verricht naar de zogeheten NK-collectie, zoals de nog onder beheer van de Nederlandse staat staande kunstwerken worden aangeduid die na de Tweede Wereldoorlog uit Duitsland zijn teruggevoerd. Het rapport Kohnstamm suggereert nu dat er voor vele honderden objecten compleet nieuw onderzoek moet worden verricht.

Maar zo dramatisch is het niet. Het door het Bureau Herkomst Gezocht (BHG) uitgevoerde onderzoek, was op een paar lacunes na in 2007 al afgerond. Via de indertijd opgebouwde database kan gemakkelijk worden nagegaan wat die lacunes zijn. Daarnaast moet de eerder vergaarde kennis worden geactualiseerd aan de hand van intussen beschikbaar gekomen informatie, zoals rapporten van de RC, publicaties en in het buitenland nieuw opgebouwde databestanden.

Er komt maar een gering deel van de NK-collectie in aanmerking voor onderzoek. Een aanzienlijk deel is geen roofgoed maar door de Duitsers gewoon in de handel verworven. Bovendien zit er niets anders op dan ons te realiseren dat er voor een deel van de verdachte objecten geen enkele hoop bestaat om ooit rechthebbenden te vinden. Daarvoor zijn de aanknopingspunten over de herkomst te cryptisch, of ze ontbreken volledig.

Tegenspreken

Dit zijn nuanceringen op de conclusies van de commissie, maar op één punt is er reden om de aanbevelingen tegen te spreken. De commissie stelt terecht dat er bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) een helpdesk moet worden ingericht, die wordt belast met de informatievoorziening over het Nederlandse restitutiebeleid. Die helpdesk dient ook de traditionele taken van het Bureau Herkomst Gezocht over te nemen en alle belanghebbenden te ondersteunen en wegwijs te maken bij hun zoektocht. Datzelfde steunpunt zal ook contact opnemen met mogelijke rechthebbenden om hen te wijzen op hun eventuele rechten. Het algemene herkomstonderzoek voor de databases én voor de opsporing van rechthebbenden is echter door de commissie neergelegd bij het Expertisecentrum Restitutie (ECR) van het NIOD. Daar wordt ook het formele herkomstonderzoek voor de Restitutiecommissie verricht.

In de ogen van Kohnstamm zijn beide soorten van onderzoek blijkbaar hetzelfde, maar dat is een ernstige misvatting van de praktijk. De opstelling van een herkomstrapport voor de RC is de opbouw van een dossierstuk, waarbij het uiterste wordt gedaan om alle potentieel bestaande informatie boven water te krijgen over vroegere eigenaren en over de vraag of zij een kunstwerk vrijwillig of onvrijwillig zijn kwijtgeraakt. Het herkomstonderzoek kan, gezien de aantallen kunstwerken die moeten worden onderzocht, nooit tot een dergelijke diepte worden uitgevoerd. Soms komt een complete eigendomsgeschiedenis tevoorschijn, maar niet zelden moet na gedegen onderzoek toch worden geconstateerd dat er geen of te weinig gegevens te vinden zijn. De incomplete gegevens worden gepubliceerd, in de hoop dat ze informatie opleveren die bij het eigen onderzoek niet gevonden konden worden.

Ik zie ernstige bezwaren tegen een combinatie van deze twee soorten onderzoek bij dezelfde onderzoeksgroep. Die zijn deels praktisch van aard maar vooral principieel. Praktisch, aangezien bij het gewone herkomstonderzoek niet zelden contact met familieleden van vroegere eigenaars leidt tot een doorbraak in het onderzoek of in ieder geval tot nieuwe inzichten waarmee de onderzoeker verder kan komen. Maar in het commissievoorstel ontbreekt ruimte voor direct contact tussen onderzoekers en potentiële rechthebbenden.

Maximale onafhankelijkheid

Belangrijker is het principiële punt dat het onderzoek voor een bij de RC neergelegde claim een maximale onafhankelijkheid vereist. De onderzoeker heeft de beschikking over de resultaten van het eerdere onderzoek en ook over de gegevens die door de partijen in die zaak zijn aangeleverd. Al die gegevens worden door de onderzoeker gewogen en met elkaar vergeleken.

Daarna wordt bekeken wat er nog aan informatie ontbreekt en moet worden gezocht. De betrokken partijen hebben er recht op dat de betreffende onderzoeker niet dezelfde is als die verantwoordelijk was voor het eerdere in de database opgeslagen onderzoek. En hij moet ook niet aan een bureau zitten naast dat van degene die dat onderzoek heeft uitgevoerd. Sinds de oprichting van de RC in 2001 is juist een dergelijke scheiding gehanteerd en is altijd nadrukkelijk elke verdenking van achterkamertjespolitiek vermeden.

Om deze garantie te handhaven is het noodzakelijk dat het basisonderzoek ten behoeve van de databases wordt uitgevoerd door de bij RCE gevestigde helpdesk, die daarbij vrij is om informatie in te winnen bij mensen die eventueel belanghebbenden zijn. En het spreekt vanzelf dat dan ook het beheer van de database waarin de resultaten van het onderzoek worden opgeslagen, samen met de resultaten van eerder onderzoek wordt gesuperviseerd door de helpdesk.

De onderzoekers van het NIOD kunnen uiteraard uit die database alle voor hun werkzaamheden noodzakelijke informatie krijgen, maar moeten bij het begin van hun onderzoek blanco tegen de materie aan kunnen kijken.

Wanneer de minister bij het overnemen van de adviezen van de Commissie Kohnstamm rekening houdt met de hier bepleite zorgvuldige scheiding van taken, lijkt niets meer de weg naar een rechtvaardig en moreel verantwoord restitutiebeleid in de weg te staan.

Evaluatie restitutie naziroofkunst

De evaluatie van het Nederlandse restitutiebeleid van naziroofkunst, waartoe in 2016 al was besloten, kreeg door internationale kritiek opeens een actuele lading. Een aantal recent afgewezen teruggaveverzoeken door de Restitutiecommissie leidde tot reputatieschade. Steen des aanstoots was een nieuw, in 2013 geïntroduceerd criterium: het ‘belang’ van de eiser om zijn kunstwerk terug te krijgen, werd afgewogen tegen het belang van het museum om het te houden.

Op een congres in Berlijn, eind 2018, stelde Stuart Eizenstat, de Amerikaanse staatssecretaris die onderhandelde over de Washington Principles (het internationale, mede door Nederland ondertekende restitutieverdrag) dat de Nederlandse belangenafweging „volledig in strijd is met de Washington Principles”.

Twee vertegenwoordigers van internationale Joodse organisaties, Wesley Fisher en Anne Webber, stelden eind 2018 in NRC dat Nederland het risico liep om van leider in kunst-restitutie tot paria te verworden.

English translation

A committee examined the restitution of Nazi looted art. Rudi Ekkart weighs the report and insists on an even fairer restitution policy.

The report of the Advisory Committee on the Restitution of Cultural Objects in the Second World War caused quite a stir in the Dutch press. The committee chaired by Jacob Kohnstamm had the task of evaluating current policy on looted art from the Second World War and advising on possible improvements.

All of this is of course not unrelated to the national and international criticism of the Restitutions Committee (RC), which advises the Minister of Education, Culture and Science on individual claims to objects from the national art collection. In that criticism, a key question was to what extent the RC may compare the importance of the artwork in question for the museum where it is currently located against the interests of the claimants.

The RC, for example, used such a consideration in 2018 when dealing with the claim of the Lewenstein heirs to Wassily Kandinsky's painting 'Bild mit Häusern' (1909) in the Stedelijk Museum in Amsterdam. The committee was clear: the interests of the entitled heirs can never be affected by the interests of a museum. A very clear and entirely justified statement by the committee.

Kohnstamm and his colleagues did much more, however, they checked whether the restitution policy in general meets the requirements. The Committee concludes that the recommendations of the then Ekkart Committee from 2001 and 2003 are still the best starting point and are the basis for the good reputation that Dutch restitution policy has acquired over the years. A conclusion that naturally satisfies this chairman of the then committee.

Later policy adjustments blurred the picture and created confusion, such as the aforementioned provision on the balancing of interests. To streamline this, the Kohnstamm Committee has set out the basic rules for policy in a new assessment framework, as a starting point for a careful and transparent assessment of claims.

Ample attention

The report pays ample attention to the fact that since 2007 no research has been carried out into the so-called NK collection in the Netherlands, as the works of art still under the custody of the Dutch state that were returned from Germany after the Second World War are referred to. The Kohnstamm report now suggests that many hundreds of objects require completely new research.

But it is not that dramatic. The investigation carried out by the Origins Unknown Agency (BHG) had already been completed in 2007, except for a few gaps. The database built up at the time makes it easy to find out what those gaps are. In addition, the previously acquired knowledge must be updated on the basis of information that has since become available, such as reports from the RC, publications and databases newly built up abroad.

Only a small part of the NK collection is eligible for research. A considerable part is not looted goods but simply acquired by the Germans in the trade. Moreover, there is no other option than to realize that for some of the suspicious objects there is no hope of ever finding right holders. The clues about the origin are too cryptic for that, or they are completely missing.

Contradiction

These are nuances to the Committee's conclusions, but there is reason to contradict the recommendations on one point. The committee rightly states that a helpdesk should be set up at the Cultural Heritage Agency of the Netherlands (RCE), which is charged with providing information about Dutch restitution policy. This helpdesk should also take over the traditional tasks of the Origins Unknown Agency and support and guide all interested parties in their search. The same support centre will also contact potential rights holders to inform them of their possible rights. However, the general provenance investigation for the databases and for the tracing of rights holders has been deposited by the Committee at the Expertise Centre (ECR) of the NIOD.

In Kohnstamm's view, both types of research are apparently the same, but that is a serious misconception of practice. The preparation of a provenance report for the RC is the construction of a file document, in which every effort is made to uncover all potentially existing information about former owners and about whether they have lost a work of art voluntarily or involuntarily. Given the number of works of art to be examined, the provenance investigation can never be carried out to such a depth. Sometimes a complete ownership history appears, but it is not uncommon after thorough research to establish that no or too little data can be found. The incomplete data is published,

I see serious objections to a combination of these two types of research in the same research group. These are partly practical in nature, but mainly principled. Practical, since in the normal provenance research, contact with relatives of former owners often leads to a breakthrough in the research or at least to new insights with which the researcher can make further progress. However, the committee proposal lacks room for direct contact between researchers and potential rights holders.

Maximum independence

More important is the point in principle that the investigation for a claim submitted to the RC requires maximum independence. The investigator has access to the results of the earlier investigation as well as the data provided by the parties in that case. All these data are weighed and compared by the researcher.

Then it is examined what information is still missing and what needs to be searched. The parties involved have the right to have the researcher concerned not be the same as the one responsible for the previous research stored in the database. Nor should he be sitting at a desk next to the person who conducted that investigation. Since the establishment of the RC in 2001, it is precisely such a separation that has been used and any suspicion of backroom politics has always been expressly avoided.

In order to enforce this guarantee, it is necessary that the basic research for the databases is carried out by the helpdesk located at RCE, which is free to obtain information from people who may be interested parties. And it goes without saying that the management of the database in which the results of the research are stored, together with the results of previous research, is also supervised by the helpdesk.

The researchers at the NIOD can of course obtain all the information they need for their work from this database, but they must be able to look at the material blankly at the start of their research.

When the Minister takes into account the careful separation of duties advocated here when adopting the recommendations of the Kohnstamm Committee, nothing seems to stand in the way of a just and morally responsible restitution policy.

EVALUATION OF RESTITUTION OF NAZI LOOTED ART

The evaluation of the Dutch restitution policy for Nazi robbery, which had already been decided in 2016, was suddenly given a topical meaning by international criticism. A number of recently rejected restitution requests by the Restitutions Committee led to reputational damage. The stumbling block was a new criterion introduced in 2013: the 'interest' of the plaintiff in getting his artwork back was weighed against the interest of the museum in keeping it.

At a conference in Berlin at the end of 2018, Stuart Eizenstat , the US Secretary of State who negotiated the Washington Principles (the international restitution treaty, co-signed by the Netherlands) stated that the Dutch balancing of interests "is completely in conflict with the Washington Principles".

 

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/12/11/waarborg-maximaal-onafhankelijk-onderzoek-bij-claims-op-roofkunst-a4023544
© website copyright Central Registry 2021