News:

Een besmet pakhuis: zo kocht Lucas Bols geroofd Joods bezit tijdens WO II - An infected warehouse: That's how Lucas Bols bought stolen Jewish property during WWII

1970
1945
Follow The Money 27 May 2020
Stefan Vermeulen 

English translation below

Jeneverproducent Lucas Bols was een van de vele kopers van geroofd Joods vastgoed tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat blijkt uit onderzoek van Follow the Money en Pointer naar meer dan zevenduizend vastgoedtransacties uit die tijd. Notarissen speelden bij de pandenroof een sleutelrol.

           Dit stuk in 1 minuut

Mozes Poppelhouwer handelt in kaas. Koosjere kaas, om precies te zijn. Onder Joodse Amsterdammers is zijn naam al jaren een begrip; hij mag rekenen op een uitgebreide en loyale klantenkring. Hij exporteert ook jaarlijks tientallen kilo's kaas naar Duitsland. De zaken gaan zo goed, dat Poppelhouwer zijn woning vlak buiten de Amsterdamse Jodenbuurt onlangs heeft kunnen inruilen voor een statig nieuw woonhuis in Nieuwer-Amstel (het huidige Amstelveen).

In de Nederlandse kaaswereld van voor de Tweede Wereldoorlog speelt hij een vooraanstaande rol. Poppelhouwer is zowel voorzitter van de Vereeniging van Amsterdamsche Kaasgrossiers als bestuurslid bij de Nederlandsche Vereeniging van Kaashandelaren. Hij is bepaald geen man die over zich heen laat lopen: in discussies over de kaashandel laat hij vaak luid van zich horen. 

Als de regering in 1929 bijvoorbeeld een keurmerk wil invoeren waaruit de Nederlandse oorsprong van geëxporteerde kaas moet blijken, noemt hij dat in het Algemeen Handelsblad volstrekte flauwekul: 'De Hollandsche kaas behoeft geen regeeringshulp.' En wanneer het bestuur van de Vereeniging van Kaashandelaren in 1930 een speciaal kwaliteitsstempel wil invoeren voor de beste kazen, ligt Poppelhouwer tijdens de jaarvergadering dwars. Hij toont zich een 'heftig tegenstander', noteert een aanwezige verslaggever van de Goudsche Courant. Poppelhouwer stemt als enige bestuurder tegen het stempel. 

Op de sabbat gaat Poppelhouwer met zijn vrouw, zoon en dochter altijd naar de synagoge aan het Jacob Obrechtplein in Amsterdam-Zuid. Zijn vader, Isaac Poppelhouwer, is een van de oprichters van het gebedshuis. Ook Mozes draagt de Joodse zaak een warm hart toe: hij doneert gul aan het Joodsch Nationaal Fonds, dat geloofsgenoten ondersteunt die zich in Palestina willen vestigen. 

Doordeweeks rijdt Poppelhouwer in zijn Ford vanuit Nieuwer-Amstel naar het epicentrum van zijn kaashandel: zijn pakhuis aan de De Ruijterkade, hartje Amsterdam. Daar ligt alle kaas opgeslagen, van daaruit bestiert hij zijn zaken. Zijn zoon Jacques doet er de administratie. Het pakhuis ligt op een ideale plek: rechtstreeks aan het IJ, waar de vrachtschepen af en aan varen, en tegelijk vlak naast het Centraal Station. Zijn vader heeft die plek ooit uitgekozen. In 1909 liet Isaac Poppelhouwer, volgens het Kadaster ook ‘kaaskooper’ van beroep, er het 264 vierkante meter grote pakhuis bouwen. Op 1 juni 1926 droeg Isaac het gebouw officieel aan zijn zoon over. Sindsdien prijkt boven de ingang de tekst: ‘Firma M.E. Poppelhouwer & Zn’.

Dat de opkomst van Hitlers naziregime in Duitsland een groot gevaar vormt, is eind jaren dertig voor alle Nederlandse Joden duidelijk. Zeker wanneer ze als ondernemer veel handel drijven met Duitsland. Maar de bijna 60-jarige Poppelhouwer besluit niet te vluchten. Hij gaat stug door met zijn kaashandel. Als voorzitter van de Amsterdamse handelaren stuurt hij in februari 1939 nog een vlammende brief aan het Algemeen Handelsblad, waarin hij uitlegt op welke manieren de Hollandse kaashandel zich volgens hem kan verbeteren. Hitler heeft op dat moment al Oostenrijk bij nazi-Duitsland aangesloten en grote delen van Tsjecho-Slowakije bezet. 

Natuurlijk kent Poppelhouwer die signalen. Toch moet de inval door de Duitsers op 10 mei 1940 hem rauw op zijn dak vallen. 

Bols en de bezetter

Je hebt van die mensen die voor het geluk geboren zijn. Bernard Carp is zo iemand. In 1901 in Nederlands-Indië geboren als zoon van een opzichter bij de Nederlandsche Handel-Maatschappij, vervolgens succesvol student aan de hbs in Haarlem en de Hoogere Handelsschool in Rotterdam. In zijn vrije tijd is de jonge Carp een fanatiek zeiler, net als zijn vier jaar oudere broer Joop. Die hobby brengt het duo in 1920 tot een opmerkelijke prestatie. Samen met een gezamenlijke vriend veroveren ze een gouden medaille bij de zeilwedstrijden tijdens de Olympische Spelen in Antwerpen. Nog voor zijn twintigste verjaardag is Bernard Carp Olympisch kampioen. 

Niet veel later loopt wordt hij verliefd op de mooie Marianne Moltzer uit Bloemendaal. In september 1923 trouwen ze. De vader van Marianne, Chris Moltzer, is al jaren president-directeur bij likeurstokerij Lucas Bols, een van de grootste en oudste jeneverproducenten ter wereld. Bols heeft distilleerderijen in onder meer België, Frankrijk, Spanje, Polen, Zwitserland en Canada. Het hoofdkantoor van het familiebedrijf - eigendom van de familie Moltzer - staat al eeuwenlang aan de Amsterdamse Rozengracht. Lucas Bols mag zich bovendien Hofleverancier noemen: ook koningin Wilhelmina houdt wel van een borreltje.

Bernard Carp treedt vrijwel meteen na zijn huwelijk bij de firma Bols in dienst. Dertien jaar later, in 1936, acht zijn schoonvader de tijd rijp om hem de directie van Lucas Bols binnen te loodsen. Het derde directielid, Chris Moltzers jongere broer Jan, is dat jaar naar Argentinië geëmigreerd om daar een nieuwe jeneverfabriek op te zetten. Voortaan nemen Chris Moltzer en de 35-jarige Bernard Carp in de bestuurskamer samen de beslissingen. 

In zijn vrije tijd geniet Carp met volle teugen van het goede leven. Hij reist regelmatig voor jachtpartijen naar Oost-Afrika, Canada en Scandinavië. ‘De jachtpassie zit mij in het bloed,’zegt hij erover. Zijn woonhuis in Hilversum groeit langzaam uit tot een museum voor zijn jachttrofeeën. Hij vindt ook de tijd om fanatiek te golfen; in 1938 schopt hij het zelfs tot Nederlands amateurkampioen in die sport.

De bezetting door de Duitsers vanaf 1940 lijkt hem aanvankelijk weinig te deren. Als een verslaggever van het Dagblad van het Oosten hem in november 1941 thuis bezoekt, struint hij ontspannen langs zijn verzameling opgezette dieren. Carp toont onder meer een giraffenkop, een opgezette neushoorn, een jakhals en een zeldzame viervingerige aap - naar eigen zeggen is het hem gelukt ‘alle wildsoorten van Oost-Afrika’ te schieten. Zijn pronkstuk luistert naar de naam ‘Tembo’: het blijkt een olifantenkop met slurf, in totaal drie meter lang, geschoten in Kenia. Na het schieten waren er twaalf mensen nodig om de hele kop op een auto te hijsen.

Dat Carp in 1941 zo kalm door zijn Hilversumse landhuis kan lopen, is geen toeval. Zijn firma Lucas Bols stelt zich welwillend op tegenover de Duitse bezetter, die zeer gecharmeerd blijkt van de Holländische Schnapps. Na de oorlog zal blijken dat dat vooral op initiatief van Bernard Carp gebeurt. Zo concludeert Het Parool in 1948 dat zijn schoonvader, president-directeur Chris Moltzer, ‘zich vruchteloos tegen het beleid van Carp heeft verzet’, terwijl mede-directeur Jan Moltzer de hele oorlog in het buitenland bleef. NRC Handelsblad schrijft later dat de broers Moltzer het bedrijf al kort na de bezetting links lieten liggen: ‘Zij bliezen de aftocht.’ 


Bernard Carp, van 1936 tot 1945 directeur van de firma Lucas Bols

Bernard Carp blijkt juist een zeer pragmatische handelaar, bij wie het zakelijke belang voor alles gaat. En dus collaboreert Lucas Bols in die eerste oorlogsjaren opzichtig met de Duitsers. Zo doneert het bedrijf tot juni 1942 in totaal 8600 gulden aan de stichting Winterhulp Nederland. Deze NSB-stichting, opgericht door rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart, neemt na de bezetting de rol van bestaande hulporganisaties over. De stichting heeft zich ten doel gesteld ‘de Nederlanders gunstig [te] stemmen voor de nieuwe nationaal-socialistische orde’. 

De samenwerking met de bezetter werpt meteen vruchten af. In het eerste oorlogsjaar stijgt de verkoop aan nazi-Duitsland met 5600 procent (van 903 naar 51.383 Reichsmark in totaal). Volgens historicus Joggli Meihuizen werkt Carp hierbij samen met zijn oudere broer Joop, die lid is geworden van de NSB. De nazi’s houden zó van het Hollandse borreltje dat Lucas Bols al snel meer bedrijfsruimte nodig heeft. Het bedrijf koopt in ’41 en ’42 extra grond vlakbij het hoofdkantoor in de Amsterdamse Jordaan en breidt uit naar nieuwe locaties in Schiedam en Rotterdam. 

Vroeg in 1943 doet zich opnieuw een mooie kans voor. Lucas Bols kan een groot pakhuis overnemen, gevestigd aan De Ruijterkade 127. Het is eigendom van de kaasfirma M.E. Poppelhouwer & Zn. Voor Bols-directeur Bernard Carp is het de perfecte mogelijkheid om zijn bedrijf verder uit te breiden.

NSB-makelaar 

Op 25 maart 1943 wordt de transactie in orde gemaakt, blijkt uit onderzoek door Follow the Money en datajournalistiek platform Pointer (KRO-NCRV). Op het kantoor van de vooraanstaande notaris F.H. Charbon, tevens vice-voorzitter van de Broederschap der Notarissen in Nederland (BNN), komt het pakhuis in handen van de Erven Lucas Bols NV. Dat gebeurt in twee stappen.

Allereerst wordt het pand die dag voor 10.816 gulden verkocht aan een tussenhandelaar. Omdat eigenaar Mozes Poppelhouwer Joods is, heeft hij zijn eigendom in augustus 1941 verplicht moeten aanmelden bij de zogeheten Niederländische Grundstücksverwaltung (NGV). Hierdoor hebben de Duitsers een goed overzicht gekregen van al het Joodse vastgoedbezit in Nederland. Deze bezittingen worden door de nazi’s stap voor stap onteigend.


Makelaar Johannes Petrus Everout

Bij het pakhuis van Poppelhouwer gebeurde dat op 18 december 1942. Die dag is zijn pand ‘onder beheer’ gebracht van de Nederlandse Administratie van Onroerende Goederen in Den Haag, zo blijkt uit gegevens van het Kadaster. Feitelijk kwam het beheer vanaf dat moment in handen van de beruchte Amsterdamse NSB-makelaar Johan Everout. Hij is vervolgens op zoek gegaan naar een geïnteresseerde koper.

...
De vastgoedboeken van de bezetter

Dit artikel komt voort uit onderzoek door Follow the Money en datajournalistiek onderzoeksplatform Pointer (KRO-NCRV) in de zogeheten Verkaufsbücher. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn in Nederland naar schatting 10.000 woningen en bedrijfspanden geroofd van Joodse eigenaren. Malafide handelaren verkochten het vastgoed met toestemming van de Duitse bezetter aan geïnteresseerde kopers: vermogende Nederlanders, bedrijven, gemeenten. Het is een zwarte bladzijde in onze nationale oorlogsgeschiedenis. 

In de Verkaufsbücher hielden de Duitsers nauwkeurig bij welke panden verkocht werden, wie de oorspronkelijke eigenaar was, wie de koper en voor welke prijs het vastgoed van de hand ging. Van ruim zevenduizend transacties is deze administratie bewaard gebleven. De stukken liggen opgeslagen in het Nationaal Archief in Den Haag.

Het afgelopen jaar heeft het Nationaal Archief (in samenwerking met het Kadaster) de vastgoedboeken gedigitaliseerd. Follow the Money en Pointer kregen toegang tot deze digitale versie. Het onderzoek in deze boeken levert nieuwe inzichten op over hoe de roof van het Joodse vastgoed precies in zijn werk ging, en welke partijen hier zoal van profiteerden. Lang niet alle betrokkenen legden na de oorlog verantwoording af, zo blijkt. 

75 jaar na de bevrijding bevinden we ons midden in een proces van reflectie. Premier Mark Rutte bood tijdens de nationale Holocaustherdenking afgelopen januari voor het eerst excuses aan ‘voor het overheidshandelen van toen, nu de laatste overlevenden nog onder ons zijn’. De Nederlandse Spoorwegen boden vorig jaar een compensatieregeling aan voor slachtoffers van de Jodentransporten. Het Rode Kruis bood in 2017 excuses aan voor haar betrokkenheid bij de Jodenvervolging. In het licht van deze reflectie is ook onderzoek naar de roof van Joodse vastgoedbezittingen anno 2020 onverminderd relevant.

Zie ook het dossier van Pointer.

...

Wie de eerste nieuwe eigenaar van het pakhuis wordt, is niet meer te achterhalen. De naam van deze tussenhandelaar – en die van eigenaar Poppelhouwer – wordt alleen in de eerste akte vastgelegd. Via de volgende koopakte komt het pakhuis nog dezelfde dag in handen van de volgende eigenaar: de firma Lucas Bols. Dit soort ‘dubbeltransporten’ kwam vaak voor bij panden die geroofd werden van Joodse eigenaren: zo bleek uit de uiteindelijke koopakte nergens wie de echte eigenaar was. 

‘Op deze manier werd de link met de oorspronkelijke Joodse eigenaar als het ware uitgegumd,’ zegt historicus Raymund Schütz, die in 2016 promoveerde op de rol van het notariaat tijdens de Tweede Wereldoorlog. ‘De naam van de tussenhandelaar en de Joodse eigenaar waren alleen bij de notaris bekend. Na de oorlog kon zo’n koper dan volhouden dat hij nooit had geweten dat het om een geroofd pand ging.’ 

Bij de aankoop door de firma Bols blijkt het pakhuis ineens een stuk meer waard. De verkoopprijs is nu 32.500 gulden - een waardestijging van meer dan 200 procent. ‘Die prijsstijging is best extreem,’ zegt Schütz. ‘Bij dit soort dubbeltransporten stegen panden altijd flink in waarde, maar meestal ging het iets minder hard: tussen de 30 en 40 procent. Geen idee waarom het hier zoveel meer was.’

Dat de panden bij de getrapte verkoop snel in waarde stegen, is volgens Schütz wel te verklaren: in eerste instantie werden ze vaak flink onder de marktprijs verkocht. De Joodse eigenaar had er niets meer over te zeggen en de Duitsers – die de eerste verkoopopbrengst ontvingen – ontbeerden kennis van de lokale vastgoedmarkt. Zo ontstond een circuit van malafide makelaars en tussenhandelaren, die goud geld konden verdienen aan de roof van Joods vastgoed. ‘Duitse ambtenaren klaagden daar soms wel over, dat er volop met die panden gerommeld werd,’ vertelt Schütz. ‘Maar tegelijk waren ze afhankelijk van die makelaars en tussenhandelaren. Die kenden immers de markt en hadden overal contacten.’

Aan het einde van 25 maart 1943 is de deal rond. De Duitsers pakken de eerste verkoopopbrengst van het pakhuis, NSB-makelaar Everout en zijn anonieme tussenhandelaar pakken een enorme premie, Lucas Bols is een mooi bedrijfspand rijker. Notaris Charbon krijgt voor zijn medewerking een honorarium van 433,50 gulden

Mozes Poppelhouwer heeft nooit geweten van de roof van zijn pand. De bekende Amsterdamse kaashandelaar blijkt namelijk al zes maanden eerder, op 30 september 1942, in Auschwitz om het leven gebracht. Een paar dagen eerder werd ook zijn vrouw daar vermoord. Zijn beide kinderen komen in juli 1943 in Sobibor om het leven. 

Vastgoedroof 

De tragische geschiedenis van De Ruijterkade 127 staat niet op zichzelf. In samenwerking met Pointer deed Follow the Money onderzoek naar de zogeheten Verkaufsbücher, waarin 7108 transacties, waarbij vastgoed van Joodse eigenaren in andere handen overging, zijn vastgelegd. In totaal werd hierbij voor 99,3 miljoen gulden aan vastgoed geroofd, zo blijkt uit ons onderzoek. De panden kwamen vaak terecht bij individuele kopers, soms bij bedrijven of gemeenten. Van de opbrengst kwam 44,5 miljoen gulden terecht bij de zogeheten Vermögensverwaltungs- und Rentenanstalt (VVRA). Met dit geld financierden de Duitsers anti-Joodse maatregelen, zoals deportaties en de bouw van kamp Westerbork. 

Voor het eerst wordt nu duidelijk dat de roof van Joodse panden in Nederland op zeer brede schaal gebeurde: in totaal werden woningen onteigend in 225 (huidige) gemeenten. Een deel van de panden kwam na de oorlog terug in handen van de oorspronkelijke eigenaar (of hun nabestaanden). Soms kregen de eigenaren - overlevenden van de Holocaust - na terugkeer van hun gemeente een rekening gepresenteerd voor belastingen die ze tijdens de oorlog niet betaald hadden, zoals de erfpachtcanon of straatgeld. 

Amsterdam en Den Haag boden later een compensatieregeling aan voor deze uiterst kille behandeling, Rotterdam en Utrecht onderzoeken momenteel of zo’n regeling nog zinvol is. Uit een door Pointer uitgevoerde enquête blijkt dat ruim vier op de vijf gemeenten helemaal niet op de hoogte waren van de roof van Joods vastgoed binnen hun gemeentegrenzen.

Rol van notarissen

Een pijnlijk onderdeel van deze geschiedenis is ook de rol van de Nederlandse notarissen, die op grote schaal aan de roof van Joods vastgoed meewerkten. In de Verkaufsbücher duiken de namen op van 534 verschillende notarissen. Sommigen voerden een enkele ‘foute’ transactie uit, bij de meer fanatieke juristen ging het soms om honderden panden. De notarissen verdienden goed aan deze praktijken: de notariskosten lagen destijds op 60 gulden per transactie. In totaal verdienden de notarissen zeker 760.000 gulden aan de pandenroof. Na de oorlog werden slechts twintig notarissen uit hun ambt gezet, veelal omdat ze lid waren geweest van de NSB. 

‘Notarissen vormden echt een cruciale schakel bij de roof van Joods vastgoed,’ zegt Raymund Schütz. In veruit de meeste gevallen deden ze dat niet eens uit politieke overtuiging: volgens Schütz beriepen ze zich massaal op hun ‘lijdelijkheid’. Dat houdt in: een notaris weigert alleen een transactie uit te voeren als die in strijd is met de wet. Vanaf 1940 gold in ons land de regelgeving van de bezetter - de Nederlandse overheid riep haar ambtenaren op zich hieraan te houden. Ook de notariële Broederschap verordonneerde haar leden om zich naar de nieuwe orde te schikken. In januari 1942 sprak de Hoge Raad bovendien het zogeheten Toetsingsarrest uit, waarin nog eens werd bevestigd dat de wetten van de nazi’s in ons land rechtsgeldig waren.

‘Onder de notarissen waren maar heel weinig NSB’ers, toch werkten de meesten na de bezetting gewoon door,’ zegt Sebastiaan Roes, hoogleraar Notarieel Recht aan Radboud Universiteit Nijmegen. ‘Dienst weigeren kwam bij de meeste notarissen niet op. Als notaris was je simpelweg penvoerder van de betrokken partijen, was destijds het idee. Je kreeg de opdracht een transactie te doen, die voerde je uit. Met de blik van nu is dit natuurlijk een gênante geschiedenis.’

Nick van Buitenen, de huidige voorzitter van notariële beroepsorganisatie KNB, gaat een stap verder: ‘Het is onthutsend en beschamend dat het notariaat zich destijds zo lijdelijk heeft opgesteld.' Ter verklaring wijst hij op de 'ministerieplicht' die de betrokken notarissen hadden: 'Pas als er formele gronden voor dienstweigering waren, mocht een notaris dienst weigeren. Dat was in de wet verankerd. De vraag is dus hoeveel ruimte er formeel was om zulke transacties te weigeren.' 

Volgens Van Buitenen valt de lijdelijke houding daarom meer de notariële Broederschap te verwijten, dan de individuele notarissen. 'De Broederschap heeft een kwestieuze rol gespeeld. Al voor de bezetting lagen er richtlijnen die notarissen opriepen vooral op hun post te blijven. Maar dit was wel in lijn met hoe men destijds over de rol van het notariaat dacht. Een lijdelijke rol, zonder ruimte voor het eigen geweten. We kunnen ons dat nu moeilijk voorstellen, maar dat was toen geen echte discussie. Had men notarissen de ruimte of opdracht gegeven het eigen geweten te gebruiken, dan had het anders kunnen lopen.'

Overigens profiteerde ook de Nederlandse Belastingdienst van de roof van Joods vastgoed. Bij elke verkoop ging een ‘registratierecht’ van 5 procent van de verkoopprijs naar de fiscus. De 7108 transacties leverden de Belastingdienst bijna 5 miljoen gulden op, blijkt uit de Verkaufsbücher. Volgens Peter Essers, CDA-senator, hoogleraar belastingrecht aan Tilburg University en auteur van het boek Belast Verleden, stelde ook de fiscus zich tijdens de bezetting ‘strikt legalistisch en technocratisch’ op. ‘Op individueel niveau is er wel verzet geweest, maar de centrale leiding deed er alles aan om de Duitsers ter wille te zijn.’ Premier Mark Rutte maakte afgelopen januari excuses voor de houding van de Nederlandse overheid ten aanzien van de Jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. 

Heel beperkt documentatie

Het pakhuis aan De Ruijterkade 127 blijft tot 1949 eigendom van de firma Lucas Bols. Daarna wordt het pand teruggegeven aan de nabestaanden van Mozes Poppelhouwer, blijkt uit het Kadaster. De verkoopprijs is niet bekend. Op welke manier Bols het pakhuis tussen 1943 en 1949 heeft gebruikt, is volgens een woordvoerder van het bedrijf niet meer te achterhalen: ‘Er is over de periode rond de Tweede Wereldoorlog heel beperkt documentatie in onze archieven te vinden. Er is ons geen gedetailleerde informatie bekend over de situatie rondom het pakhuis aan De Ruijterkade 127.’ 

Wat wel vaststaat, is dat de trotse jager Bernard Carp al snel na de bevrijding in een prooi verandert. De Bols-directeur wordt gearresteerd op verdenking van collaboratie. Op 22 oktober 1945 verhoren agenten hem, zo blijkt uit zijn vuistdikke dossier in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR). Tijdens zijn verhoor bevestigt Carp ‘dat in die oorlogsjaren groote partijen gedestilleerd naar de Duitsche Weermacht zijn verkocht’. Het Parool schrijft later in een rechtbankverslag dat Lucas Bols onder Carps leiding 13 miljoen gulden extra winst maakte ‘op haar leveranties aan de Weermacht en de Waffen SS.’ De extra omzet bedroeg 30 miljoen gulden

Op 30 september 1948 wordt Carp door het Bijzondere Gerechtshof in Amsterdam wegens collaboratie veroordeeld tot een celstraf van drie jaar, plus een boete van 50.000 gulden. Het Hof concludeert dat de firma Bols ‘veel meer aan de vijand [heeft] geleverd dan, gelet op haar positie, nodig was’. De straf had veel hoger kunnen uitvallen, ware het niet dat Carp tijdens de laatste oorlogsjaren óók veel drank aan de illegaliteit leverde. In zijn CABR-dossier zijn brieven te vinden van verzetsmensen die hem steunen. Ondanks die verzachtende omstandigheid wacht Carp zijn vonnis niet af. Omdat hij actief aan het onderzoek meewerkte, is hij voorlopig op vrije voeten gesteld. In september 1946 lukt het hem om naar Zuid-Afrika te vluchten. Als het Hof zijn vonnis uitspreekt, is de verdachtenbank leeg. 

In Kaapstad lacht het leven hem weer toe. Bernard Carp ontfermt zich over de lokale Bols-distilleerderij, legt een uitgebreide plantenverzameling aan, heeft tijd om te jagen en schrijft jaren later een boekje met de ietwat ironische titelI chose Africa. In november 1953 verleent koningin Juliana hem gratie. De voortvluchtige Carp hoeft in Nederland niet langer de cel in, maar moet wel zijn boete van 50.000 gulden terugbetalen. Carp blijft desondanks in Zuid-Afrika wonen. In 1966 overlijdt hij, 65 jaar oud. Vier jaar later krijgt de firma Lucas Bols het predikaat ‘Koninklijk’ toegewezen.

In beginsel te kwader trouw

Lucas Bols is tegenwoordig beursgenoteerd in Amsterdam. Het bedrijf verkoopt likeuren in 110 landen en heeft een jaaromzet van 92,5 miljoen euro. Gevraagd naar deze geschiedenis en de rol van directeur Carp stelt een woordvoerder: ‘Wat betreft de heer Bernard Carp, hij was vanaf 1942 bij het verzet betrokken en heeft in 1953 gratie verkregen vanwege deze (toen inmiddels) bewezen verzetsactiviteiten.’ Volgens de woordvoerder is dit bewijs voor zijn verzet vanaf 1942 opgeslagen in zijn familiearchief. ‘Dat hebben wij als Lucas Bols dus niet tot onze beschikking.’

Volgens historicus Raymund Schütz is het ‘ondenkbaar’ dat de aankoop van het pakhuis iets te maken had met eventuele verzetsactiviteiten. De Raad voor het Rechtsherstel oordeelde na de oorlog dat kopers van geroofde Joodse panden in beginsel te kwader trouw waren.

Anno 2020 huist het bedrijf Eric Vökel aan De Ruijterkade 127, een verhuurder van luxe appartementen met Scandinavisch interieur. Het pand is fors verbouwd, alleen de gevel van het oude pakhuis is nog herkenbaar. Manager Emi Clements voelt weinig behoefte om op de tragische geschiedenis van haar locatie te reageren. ‘Ik kan je hier helaas niet verder mee helpen. Wij zijn niet de eigenaar van het pand.’

Die eigenaar is sinds 1986 ondernemer Sjoerd Nauta. Zijn exploitatiemaatschappij bezit meerdere panden aan dezelfde kade. ‘Zelf werk ik al sinds 1963 aan de De Ruijterkade,’ vertelt Nauta. ‘Ik heb dat pand ooit gekocht van een tagrijn, een handelaar in scheepsbenodigdheden. Ik wist wel dat het ooit een kaaspakhuis was geweest. Verder wist ik niets van deze gruwelijke geschiedenis, ik zal het verhaal met interesse lezen.’

Follow the Money heeft geprobeerd in contact te komen met nabestaanden van Mozes Poppelhouwer. Dit is tot op heden niet gelukt.

De tv-uitzending van Pointer (KRO-NCRV) over de Verkaufsbücher is vanavond om 21.05 uur te zien op NPO 2. 

English translation:

Gin producer Lucas Bols was one of the many buyers of stolen Jewish real estate during World War II. This is evident from research by Follow the Money and Pointer into more than seven thousand real estate transactions from that time. Notaries played a key role in the robbery.


THIS PIECE IN 1 MINUTE

  • The characteristic black building at De Ruijterkade 127 in Amsterdam now houses luxury apartments. It once belonged to Mozes Poppelhouwer. This Jewish cheese merchant died on September 30, 1942 in Auschwitz. 
  • In 1943 Lucas Bols bought the warehouse. On March 25, the property changed hands twice through an intermediary. In doing so, the value tripled. 
  • Not only Poppelhouwer's warehouse was stolen in this way, Follow the Money and Pointer discovered. In more than 250 municipalities in the Netherlands, an estimated 10,000 homes and commercial properties were stolen from Jewish owners.
  • All records of more than seven thousand transactions have been preserved. The National Archives digitized this Verkaufsbücher (Sales Ledgers) in the past year. Pointer and Follow the Money got access.

 Mozes Poppelhouwer trades in cheese. Kosher cheese, to be precise. His name has been a household name among Jewish Amsterdammers for years; he can count on an extensive and loyal customer base. He also exports tens of kilos of cheese to aable to exchange his home just outside the Amsterdam Jewish Quarter for a stately new house in Nieuwer-Amstel (now Amstelveen).

He plays a prominent role in the Dutch cheese world before World War II. Poppelhouwer is both chairman of the Vereeniging van Amsterdamsche Kaasgrossiers (Association of Amsterdam Cheese Wholesalers)  and a board member of the Dutch Association of Cheese Traders. He is certainly not a man who lets himself be walked over: in discussions about the cheese trade he often speaks out loudly. 

If the government in 1929, for example, says labels must show the Dutch origin of exported cheese, he says in the  Algemeen Handelsblad that it is a complete nonsense: "Dutch cheese does not need government help." And when the board of the Association of Cheese Traders wants to introduce a special quality stamp for the best cheeses in 1930, Poppelhouwer is annoyed during the annual meeting. He shows himself to be a 'fierce opponent', notes a reporter from the Goudsche Courant. Poppelhouwer is the only director who votes against the stamp. 

On the Sabbath, Poppelhouwer always goes to the synagogue at Jacob Obrechtplein in Amsterdam South with his wife, son and daughter. His father, Isaac Poppelhouwer, is one of the founders of the house of prayer. Moses also has a warm heart for the Jewish cause: he generously donates to the Jewish National Fund, which supports fellow believers who want to settle in Palestine. 

During the week, Poppelhouwer drives his Ford motor car from Nieuwer-Amstel to the epicenter of his cheese trade: his warehouse on De Ruijterkade, in the heart of Amsterdam. All cheese is stored there, from there he manages his affairs. His son Jacques does the administration there. The warehouse is ideally located: directly on the IJ, where the cargo ships come and go, and at the same time right next to the Central Station. His father chose that place. In 1909 Isaac Poppelhouwer, according to the Land Registry also a 'cheese buyer' by profession, had the 264 square meter warehouse built there. On June 1, 1926, Isaac officially handed the building over to his son. Since then, the text has been written above the entrance: 'Firma ME Poppelhouwer & Zn'.

It is clear to all Dutch Jews that the rise of Hitler's Nazi regime in Germany is a great danger in the late 1930s. Especially when they trade a lot with Germany as entrepreneurs. But the almost 60-year-old Poppelhouwer decides not to flee. He goes on with his cheese trade. As chairman of the Amsterdam traders, he sends a flaming letter in February 1939 to the Algemeen Handelsblad , in which he explains how he believes the Dutch cheese trade can improve. Hitler had already joined Austria to Nazi Germany at that time and occupied large parts of Czechoslovakia. 

Of course Poppelhouwer knows those signals. Nevertheless, the occupation by the Germans on May 10 1940 must be a blow he didn’t anticipate. 

Bols and the occupier

You have those people who were born for happiness. Bernard Carp is such a person. Born in 1901 in the Dutch East Indies as the son of a supervisor at the Nederlandsche Handel-Maatschappij, then a successful student at the HBS in Haarlem and the Hoogere Handelsschool in Rotterdam. In his spare time, the young Carp is a fanatic sailor, just like his brother Joop, four years his senior. That hobby brings the duo to a remarkable achievement in 1920. Together with a mutual friend, they capture a gold medal in sailing competitions during the Olympic Games in Antwerp. Even before his twentieth birthday, Bernard Carp is an Olympic champion. 

Not much later, he falls in love with the beautiful Marianne Moltzer from Bloemendaal. They marry in September 1923. Marianne's father, Chris Moltzer, has been president of the liqueur distillery Lucas Bols for years, one of the largest and oldest gin producers in the world. Bols has distilleries in Belgium, France, Spain, Poland, Switzerland and Canada, among others. The headquarters of the family business - owned by the Moltzer family - has stood for centuries on the Amsterdam Rozengracht. Lucas Bols can also call himself Royal Warrant Holder: Queen Wilhelmina also likes a drink.

Bernard Carp joins the Bols company almost immediately after his marriage. Thirteen years later, in 1936, his father-in-law thinks the time is ripe to bring him into the management of Lucas Bols. The third board member, Chris Moltzer's younger brother Jan, emigrates to Argentina that year to set up a new gin factory there. From now on, Chris Moltzer and Bernard Carp, 35, make decisions together in the boardroom. 

In his spare time, Carp enjoys the good life to the fullest. He regularly travels for hunting parties to East Africa, Canada and Scandinavia. "The hunting passion is in my blood," he says. His house in Hilversum slowly grows into a museum for his hunting trophies. He also finds the time to play golf fanatically; in 1938 he even becomes the Dutch amateur champion in that sport.

Initially, the occupation by the Germans from 1940 does not seem to bother him much. When a reporter from the Dagblad van het Oosten visits him at home in November 1941, he strolls past his collection of stuffed animals. Carp shows a giraffe head, a stuffed rhinoceros, a jackal and a rare four-fingered monkey - he says he managed to shoot 'all the game species of East Africa'. His showpiece is called 'Tembo': it turns out to be an elephant's head with a trunk, a total of three meters long, shot in Kenya. After the shooting, twelve people were needed to hoist the entire head onto a car.

It is no coincidence that Carp can walk so calmly through his country house in Hilversum in 1941 . His firm Lucas Bols is sympathetic to the German occupier, who appears to be very fond of the Holländische Schnapps . After the war it will become clear that this is mainly at the initiative of Bernard Carp. So concludes The Parool in 1948 that his father-in-law, president-director Chris Moltzer, 'has fruitlessly opposed Carp's policy', while co-director Jan Moltzer stayed abroad throughout the war. NRC Handelsblad writes later that the Moltzer brothers left the company shortly after the occupation: "They blew the retreat." 

Bernard Carp turns out to be a very pragmatic trader whose business interest is paramount. And so during those early war years Lucas Bols collaborates with the Germans. By June 1942, the company has donated a total of 8600 guilders to the Winterhulp Nederland foundation. This NSB foundation, founded by Reich Commissioner Arthur Seyss-Inquart, takes over the role of existing aid organizations after the occupation. The foundation has set itself the goal of “getting the Dutch to vote in favour of the new National Socialist order”. 

The collaboration with the occupier immediately pays off. In the first year of the war, sales to Nazi Germany rise by 5,600 percent (from 903 to 51,383 Reichsmark in total). According to historian Joggli Meihuizen, Carp works together with his older brother Joop, who has become a member of the NSB. The Nazis love the Dutch drink so much that Lucas Bols quickly needs more business space. In '41 and '42 the company buys extra land near the head office in the Jordaan in Amsterdam and expands to new locations in Schiedam and Rotterdam. 

Another great opportunity arises early in 1943. Lucas Bols can take over a large warehouse, located at 127 De Ruijterkade. It is owned by the cheese company ME Poppelhouwer & Zn. It is the perfect opportunity for Bols director Bernard Carp to further expand his company.

NSB broker 

The transaction is cleared on March 25, 1943, according to an investigation by Follow the Money and data journalism platform Pointer (KRO-NCRV). At the office of the prominent notary FH Charbon, also vice-chairman of the Brotherhood of Notaries in the Netherlands (BNN), the warehouse will be owned by Erven Lucas Bols NV. This is done in two steps.

First of all, the building will be worth 10,816 guilders that day sold to a broker. Because owner Mozes Poppelhouwer is Jewish, he had to register his property with the so-called Niederländische Grundstücksverwaltung (NGV) (Dutch Real Estate Management) in August 1941. This gave the Germans a good overview of all Jewish property in the Netherlands. These assets are expropriated step by step by the Nazis.

At the warehouse of Poppelhouwer that happens on December 18 1942. That day his building is 'managed' by the Dutch Real Estate Administration in The Hague, according to data from the Land Registry. In fact, from that moment on, management became the property of the infamous Amsterdam NSB broker Johan Everout. He then went looking for an interested buyer.

THE OCCUPIER'S REAL ESTATE BOOKS

This article is the result of research by Follow the Money and data journalism research platform Pointer (KRO-NCRV) in the so-called Verkaufsbücher (Sales Ledgers) . During the Second World War, an estimated 10,000 homes and commercial properties were stolen from Jewish owners in the Netherlands. Rogue traders sold the property with the permission of the German occupier to interested buyers: wealthy Dutch people, companies, municipalities. It is a black page in our national war history. 

In the Verkaufsbücher, the Germans kept careful track of which properties were sold, who was the original owner, who was buying the property and for what price. This administration of more than seven thousand transactions has been preserved. The documents are stored in the National Archives in The Hague.

In the past year, the National Archives (in collaboration with Kadaster) digitized the real estate books. Follow the Money and Pointer got access to this digital version. The research in these books provides new insights into exactly how the robbery of Jewish real estate worked, and which parties benefited from this. By no means everyone involved was accountable after the war. 

75 years after the liberation, we are in the middle of a process of reflection. Prime Minister Mark Rutte apologized for the first time during the national Holocaust commemoration last January 'for the government actions of that time, now that the last survivors are still among us'. Last year, the Dutch Railways offered a compensation scheme for victims of the Jewish transports. In 2017, the Red Cross apologized for its involvement in the persecution of the Jews. In the light of this reflection, research into the robbery of Jewish real estate assets in 2020 is also relevant.

See also the case of Pointer .

It is no longer possible to trace who will become the first new owner of the warehouse. The name of the broker - and that of owner Poppel Hack - is only the first act recorded. Through the following deed of sale, the warehouse will be owned by the following owner the same day: Lucas Bols. This type of 'double transport' was common in properties that were robbed from Jewish owners: the final deed of sale did not show who was the real owner. 

"In this way, the link with the original Jewish owner was erased, as it were," says historian Raymund Schütz, who obtained his doctorate in 2016 on the role of notaries during the Second World War. "The name of the broker and the Jewish owner were known only to the notary. After the war, such a buyer could insist that he never knew it was a robbed building. " 

When the Bols company bought it, the warehouse suddenly turned out to be worth a lot more. The sales price is now 32,500 guilders- an increase in value of more than 200 percent. "The price increase is quite extreme," says Schütz. 'Buildings always increased in value with this type of double transport, but usually things went a little slower: between 30 and 40 percent. No idea why it was so much more here. "

Schütz explains that the properties rose rapidly in value with the staged sales: at first they were often sold well below the market price. The Jewish owner had nothing more to say about it and the Germans - who received the first sale proceeds - lacked knowledge of the local real estate market. This created a circuit of rogue brokers and brokers, who could earn serious money from the robbery of Jewish real estate. "German officials sometimes complained that there was plenty of messing around with those buildings," says Schütz. But at the same time, they depended on those brokers and brokers. After all, they knew the market and had contacts everywhere. '

The deal was concluded at the end of March 25, 1943. The Germans take the first sale proceeds from the warehouse, NSB broker Everout and his anonymous broker take a huge premium, Lucas Bols is a nice business building richer. Notary Charbon receives a fee of 433.50 guilders for his cooperation. 

Mozes Poppelhouwer never knew about the robbery of his building. The well-known Amsterdam cheese trader appears to have been killed in Auschwitz six months earlier, on September 30, 1942 . His wife was also murdered there a few days earlier. Both of his children died in Sobibor in July 1943. 

Property theft 

The tragic history of De Ruijterkade 127 does not stand alone. In collaboration with Pointer, Follow the Money investigated the so-called Verkaufsbücher, in which 7108 transactions involving the transfer of real estate from Jewish owners to property were recorded. A total of 99.3 million guilders of stolen real estate was involved, according to our research. The properties often ended up with individual buyers, sometimes with companies or municipalities. 44.5 million guilders of the proceeds go to the so-called Vermögensverwaltungs- und Rentenanstalt (VVRA) (Asset Management and Pension Company). With this money, the Germans financed anti-Jewish measures, such as deportations and the construction of the Westerbork camp. 

It is now becoming clear for the first time that the robbery of Jewish properties in the Netherlands took place on a very wide scale: in total, homes were expropriated in 225 (current) municipalities. Some of the properties were returned to the original owner (or their relatives) after the war. Sometimes after returning from their camps, owners - survivors of the Holocaust - were presented with a bill for taxes they had not paid during the war, such as the ground lease or rates. 

Amsterdam and The Hague later offered a compensation scheme for this extremely cold treatment, Rotterdam and Utrecht are currently investigating whether such a scheme is still worthwhile. A survey conducted by Pointer shows that more than four out of five municipalities were completely unaware of the robbery of Jewish real estate within their municipal boundaries.

Role of notaries

A painful part of this history is also the role of the Dutch notaries, who cooperated on a large scale in the robbery of Jewish real estate. The names of 534 different notaries appear in the Verkaufsbücher (Sales Ledgers). Some performed a single 'wrong' transaction, the more avid lawyers sometimes were involved with hundreds of properties. The notaries made good money from these practices: the notary fees at the time were 60 guilders per transaction. In total, the notaries earned at least 760,000 guilders from the property robbery. After the war, only twenty notaries were removed from office, mostly because they had been members of the NSB. 

"Notaries really formed a crucial link in the robbery of Jewish real estate," says Raymund Schütz. In the vast majority of cases they did not even do this out of political conviction: according to Schütz, they invoked their 'passivity' en masse. This means: a notary only refused to carry out a transaction if it was contrary to the law. From 1940 on, the rules of the occupying forces applied in our country - the Dutch government called on its officials to adhere to this. The notarial Brotherhood also ordered its members to conform to the new order. In January 1942, the Supreme Court also issued the so-called Review Judgment, which once again confirmed that the laws of the Nazis in our country were valid. 

'There were very few NSB employees among the civil-law notaries, yet most continued working after the occupation,' says Sebastiaan Roes, professor of Notarial Law at Radboud University Nijmegen. 'Refusal of service did not occur to most notaries. As a notary, you were simply the secretary of the parties involved, that was the idea at the time. You were instructed to make a transaction, which you carried out. This is, of course, an embarrassing history.

Nick van Buitenen, the current chairman of the notarial professional organization KNB, goes a step further: "It is staggering and shameful that the notarial profession was so passive at the time." As an explanation, he points to the 'ministry duty' that the notaries involved had: 'Only if there were formal grounds for conscientious objection could a notary refuse service. That was enshrined in law. So the question is how much formal authority there was to refuse such transactions. " 

According to Van Buitenen, the passive attitude can therefore be blamed more on the notarial Brotherhood than for individual notaries. "The Brotherhood has played a questionable role. Even before the occupation, there were guidelines that urged notaries to stay in their posts. But this was in line with how people thought about the role of the notarial profession at the time. A passive role, without room for one's own conscience. We can hardly imagine that now, but that was not a real discussion at the time. Had notaries been given the space or the order to use their own conscience, things could have turned out differently. '

Incidentally, the Dutch tax authorities also benefited from the robbery of Jewish real estate. With every sale, a 'registration fee' of 5 percent of the sale price went to the tax authorities. The 7108 transactions yielded nearly 5 million guilders to the tax authorities, according to the Verkaufsbücher . According to Peter Essers, CDA senator, professor of tax law at Tilburg University and author of the book Belast Verleden, the tax authorities were 'strictly legalistic and technocratic' during the occupation. "There was resistance at the individual level, but the central leadership did everything to please the Germans." Last January Prime Minister Mark Rutte apologised for the attitude of the Dutch government towards the persecution of Jews during the Second World War. 

Very limited documentation

The warehouse at 127 De Ruijterkade remains the property of Lucas Bols until 1949. After that, the property is returned to the relatives of Mozes Poppelhouwer, according to the Land Registry. The sales price is unknown. How Bols used the warehouse between 1943 and 1949 can no longer be determined, according to a spokesman for the company: 'There is very limited documentation in the archives around the Second World War. We do not know any detailed information about the situation around the warehouse at 127 De Ruijterkade. ' 

What is certain is that the proud hunter Bernard Carp turns into prey soon after the liberation. The Bols director is arrested on suspicion of collaboration. On October 22, 1945, police officers interrogate him, according to his thick file in the Central Archives of the Special Judiciary (CABR). During his interrogation Carp confirms 'that during those war years large batches of distilled spirits were sold to the German Defense Forces'. Het Parool later writes in a court report that Lucas Bols under Carp's leadership is worth 13 million guilders additional profit made "on her supplies to the Forces and the Waffen SS." The additional turnover amounted to 30 million guilders

On September 30, 1948, Carp was sentenced by the Special Court of Appeal in Amsterdam to three years in prison for collaboration, plus a fine of 50,000 guilders. The Court concludes that Bols 'supplied the enemy with much more than was necessary in view of its position'. The punishment could have been much higher, had it not been that Carp also supplied others with a lot of drink during the last war years. His CABR file contains letters from resistance members who support him. Despite that mitigating circumstance, Carp does not await his verdict. Because he actively participated in the investigation, he is released for the time being. In September 1946 he manages to flee to South Africa. When the Court delivers its verdict, the suspect is not there. 

Life is smiling at him again in Cape Town. Bernard Carp takes care of the local Bols distillery, builds an extensive plant collection, has time to hunt, and years later writes a book with the somewhat ironic title I chose Africa . In November 1953, Queen Juliana pardons him. The fugitive Carp no longer has to go to jail in the Netherlands, but must repay his fine of 50,000 guilders. Nevertheless, Carp continues to live in South Africa. He dies in 1966, aged 65. Four years later, Lucas Bols is awarded the designation 'Royal'. 

In principle in bad faith

Lucas Bols is now listed on the Amsterdam stock exchange. The company sells liqueurs in 110 countries and has an annual turnover of 92.5 million euros. When asked about this history and the role of Director Carp, a spokesperson said: "As for Mr. Bernard Carp, he was involved in the resistance from 1942 onwards and was pardoned in 1953 for these proven resistance activities. According to the spokesman, this evidence for his resistance has been stored in his family archive since 1942. "As Lucas Bols we don't have that at our disposal."

According to historian Raymund Schütz, it is 'inconceivable' that the purchase of the warehouse had something to do with possible resistance activities. After the war, the Council for the Restoration of Rights rules that buyers of looted Jewish properties were in principle in bad faith.

In 2020, the company Eric Vökel is located at De Ruijterkade 127, a landlord of luxury apartments with Scandinavian interiors. The building has been extensively renovated, only the facade of the old warehouse is still recognizable. Manager Emi Clements feels little need to respond to the tragic history of her location. "Unfortunately I can't help you with this. We are not the owner of the property.”

That owner has been entrepreneur Sjoerd Nauta since 1986. His operating company owns several properties on the same quay. 'I have been working on De Ruijterkade since 1963,' says Nauta. "I once bought that property from a Tagrijn, a ship supplies merchant. I knew it had once been a cheese warehouse. I did not know anything about this horrific history, I will read the story with interest. "

Follow the Money has tried to get in touch with relatives of Mozes Poppelhouwer. This has not yet been successful.

The TV broadcast of Pointer (KRO-NCRV) on the Verkaufsbücher can be seen tonight at 21.05 on NPO 2. 

 

https://www.ftm.nl/artikelen/roof-joods-vastgoed-nazis-wereldoorlog
© website copyright Central Registry 2020